Skip to main content

Een warmtepomp van elektriciteit voorzien is niet een kwestie van simpelweg de stekker in het stopcontact steken. Het kan nodig zijn om eerst de meterkast aan te passen. De elektriciteitsvraag van een warmtepomp is in de meeste gevallen zo groot dat hij een 3-fasenaansluiting vergt.

Als de netaansluiting al uit een 3-fasenaansluiting (bijvoorbeeld 3 x 25 A) bestaat, hoeft hij niet te worden gewijzigd. In situaties waarbij men nog niet over een 3-fasenaansluiting beschikt, zal de netaansluiting echter moeten worden aangepast. Daarnaast zal uitbreiding of aanpassing van de groepenkast noodzakelijk zijn. De kosten van deze aanpassing zijn slechts eenmalig als kan worden volstaan met vervanging van een 1 x 35 A-aansluiting door een 3 x 25 A-aansluiting. Wanneer naar een aansluiting met een hogere waarde dan 3 x 25 A moet worden overgegaan, bijvoorbeeld naar 3 x 35 A, zal dit ook invloed hebben op het vastrecht. Op jaarbasis zullen de kosten daarvan aanzienlijk hoger worden.

Aanpassing van de groepenkast

De groepenkast zal zodanig moeten worden aangepast dat de warmtepomp op een aparte 3-fasen-eindgroep kan worden aangesloten. Als de warmtepomp ook van een naverwarming moet worden voorzien, moet die eveneens op een aparte eindgroep worden aangesloten. Dit heeft invloed op de totale gelijktijdigheid van de elektrische installatie. Bij het ontwerp zal hier terdege rekening mee moeten worden gehouden: is de aanpassing naar een aansluiting van 3 x 25 A voldoende als naverwarming noodzakelijk is?

Onderverdeelinrichting bij de warmtepomp

In de situatie met naverwarming zijn dus twee 3-fasengroepen nodig, en daarnaast nog een 1-fase-groep voor de stuurspanning. Soms wordt ervoor gekozen een onderverdeelinrichting bij de warmtepomp te plaatsen, zodat slechts één leiding vanaf de groepenkast naar de onderverdeelinrichting moet worden gelegd, in plaats van drie leidingen. Vanaf de onderverdeler kan dan de warmtepomp (3-fasen), de naverwarming (3 -fasen) en de stuurspanning (1-fase) worden gevoed.

Goed aardingsysteem

Wanneer de installatie beschikt over een goed aardingsysteem waarbij blijkt dat de waarde van de circuitweerstand van de impedantie van de foutstroomketen voldoende laag is, is geen aanvullende maatregel als foutbescherming nodig. Er wordt voldaan aan de van toepassing zijnde veiligheidsbepalingen. De installatie van de warmtepomp wordt of rechtstreeks aangesloten, of via een wandcontactdoos. Deze wandcontactdoos is niet voor algemeen gebruik bedoeld; daarom is in die situatie geen aardlekschakelaar als aanvullende bescherming vereist.

Aanvullende bescherming

Als het aardingsysteem onvoldoende laag is waardoor bij een fout in de installatie de uitschakeltijden van de voeding bij automatische uitschakeling niet kunnen worden gehaald, moet wel aanvullende bescherming worden toegepast. Dat kan voor de gehele of voor een deel van de elektrische installatie gelden. De gehele installatie kan bijvoorbeeld door middel van een aardlekbeveiliging met een nominale stroom van 300 mA aanvullend worden beveiligd. Als vanaf de groepenkast afzonderlijke leidingen worden gelegd naar de warmtepomp, eventuele naverwarming en de stuurstroom, zullen deze afzonderlijk moeten worden beveiligd. Deze beveiligingen moeten zijn afgestemd op het aangesloten vermogen.

Toepassing van een onderverdeler

Als een onderverdeler wordt toegepast, zal de groepenkast moeten worden uitgebreid met een distributiegroep voor de voeding van deze onderverdeler. De beveiligingen die in de onderverdeler worden toegepast, dienen voor zover mogelijk selectief te zijn met de beveiliging van deze distributiegroep. Omdat de kans op sluiting in de distributiegroep gering is, zal de beveiliging van de distributiegroep echter niet volledig selectief zijn ten opzichte van de hoofdbeveiliging. Dit is geheel overeenkomstig de NPR 5310. In de onderverdeler, voorzien van een hoofdschakelaar, worden de beveiligingen van de warmtepomp, de eventuele naverwarming en de stuurstroom opgenomen.